Meneer de Haan wil bestaan

Het is te laat om te slapen. 

In mijn hoofd kraait de haan al lang.


Eerst was de haan er niet ‘echt’. 

Hij bestond alleen daar - in mijn hoofd. 

Een denk - beeldige haan. 

’t Is te zeggen. Klank zonder beeld -

Vulde hij het met een aanhoudend geroep.

In repeat zonder uit-knop. 


Heel af en toe ging hij op stok. Of nestelde hij zich zachtjes in het hoopje zachte hooi om zijn pootjes even te laten rusten. 

Dan werd het stil en gezellig in mij. 

Ken je het gevoel wanneer de stilte valt na veel lawaai? 

Dat! Die zaligheid. 

Dat duurde nooit lang. 

Dan werd hij weer wakker. Met een onweerstaanbare drang om de zonnegodin uit haar grot te kraaien. Wakker worden Annelies! Zou je niet dit, moet je niet dat, denk eens hierover na, wat als dit, … kukeleku. 


Plots op een dag, 

verschijnt hij. 

In het echt. 

Ik was op wandel in mijn vertrouwde natuurgebied en passeerde de stal die daar is. 

Daar staat hij op de bank met gestrekte nek. Hij. In beeld met klank. 

Het is niet duidelijk waar hij zo plots vandaag komt. 

Aangeland en thuisgekomen? Uit huis gezet wegens overlast? Gedumpt?

Maar hij is er, en dat laat hij weten, ook aan wie het niet wil horen. 


Wiens innerlijke haan is dit nu die is uitgetreden en zijn eigen weg is gegaan?

Is dit mijn haan? 

Of is het de haan van een ander?

Eigenlijk is de haan toch gewoon van zichzelf?

Hij wil bestaan. 


Nu is hij hier in niemandsland. Hier en nu zijn plek. 

En het is niet duidelijk of dit zijn eindbestemming is. 

Is hij tevreden met de afstand die er is gekomen nu hij uit het hoofd is gekropen als een kuiken uit het ei?  

Met de zuurstof en de open ruimte, een verruimde blik?


Nu het vervelende gekraai een lijfje en een gezichtje krijgt, 

Voelt het toch wel anders. Minder hol. 

Ik kijk er naar, er ontstaat een lichte sympathie.  


Eerst was ik wat bang van de haan. ‘Ze’ zeggen zoveel over hanen. Ik hield afstand. Ik wilde ook niet dat hij in mijn hoofd en hart zou kruipen. Dat ik me weer van hem zou ‘aantrekken’. 


Wat nu? Want die haan kan wel symbool staan voor allerlei! Is dit een aankondiging voor nakend onheil? Zal ik iets verloochenen? Ben ik te ijdel, te kritisch? Is het een uitnodiging om zelf wat meer te gaan kraaien en dat te laten horen en zien wat je van jezelf verbergt? Een boost te geven aan het zelfvertrouwen? 

Tegelijk was ik ook bang vóór de haan. 

Zo open en bloot, is hij een vogel voor de marter of de vos? 


Heeft hij hulp nodig? 


De afstand is van korte duur.  

De haan kan gaan en staan waar hij wil. 

En toch zoekt hij me telkens op. Hij wil geen afstand. Hij kiest voor dichtbij. 

De haan kan niet alleen bestaan. Dat weet hij diep vanbinnen. 

Pas op. Hij springt niet ongevraagd terug bij me binnen. 

Hij klopt zachtjes op de deur.

Hij kraait, maar op een of andere manier klinkt het zachter. Hij schudt zich wat los, hij springt op de bank waar ik zit, kraait nog een keer met meer overtuiging. 


Is dit een vraag? 


Het vertrouwen groeit. We zoeken steeds meer elkaars gezelschap op. 

We beginnen elkaar te kennen. 

Wil hij een naam om te bestaan? 

Meneer de Haan?


Wat wil de haan? Hij roept!

Wil iets wat roept, zeurt, zich steeds weer herhaalt, … niet iets vertellen? Heeft het niet altijd iets nodig? 

Is het een levenslied? Iets wat eruit moet. Onbedwingbaar. Uitgelaten. 


Meneer de Haan komt tot de kern van de zaak. Hij geeft aan dat het tijd is geworden om op te staan. Wanneer de Haan op je levenspad komt betekent dit dat je iets te bereiken hebt en dat de tijd om “op te staan, jezelf te laten horen en te schitteren” nu is! Want iedere nieuwe dag zou zomaar eens de mooiste van je hele leven kunnen worden. Kom daarom uit je bed. Neem het besluit om aan de slag te gaan. Zet je beste beentje voor en ga ervoor.

Pluk het!

Zo zegt hij. 


Op een dag. 

Zet hij zich bij ons onder de tafel. En valt in slaap. 

Geen geluid. Geen piep. 

De haan is stil. 

Oei. 

Is de haan moe? 

Hij moet toch kraaien. 

Is dit de prijs van de open ruimte? Het voortdurende blootgesteld. Geen veilig hoofd om in te huizen. Geen begrenzing, geen thuis, geen veilige haven, geen gezelschap…

Wil de haan wel zo verder bestaan? 

Is de haan eenzaam? 

Huizen er ook in de ziel van de haan stemmen, die vragen om een toom. 

Hij vertrouwt ons. 

Voelt zich geborgen en veilig. 

En floep. Het is gebeurd. Ik zet de deur open en laat hem in mijn hart. Wanneer hij nu kraait kriebelt het daar. 

En weer in mijn hoofd. 

Hij is er, thuis en blijft stil en rustig. 

Wanneer hij kraait klinkt het als muziek. Een uiting. Geen gezeur. 

Ik besta! 


De haan hoeft niet te worden ‘gered’. 

Toch breng ik hem af en toe wat eten en water. 

Het is niet duidelijk of het hem vult of voedt. 

Hij verblijft nu al weken in niemandsland. 

Ik reik hem de hand. 

En hij pikt, zachtjes, de graantjes een voor een. 

Hij eet uit mijn hand en toch is hij Meneer de haan. 


Wanneer ik op wandel ga, hoor ik hem kraaien, van ver. Ik word stiekem even blij telkens dat geluid me tegemoet komt.

Dat stelt me gerust. Hij is er nog. 

Ik laat hem vogelvrij. 

Soms kies ik ervoor hem te bezoeken. Soms ga ik aan hem voorbij. 


Soms neem ik anderen mee. Waarom zou iemand deze haan niet willen zeggen ze dan? Ik heb al een haan, maar misschien weet ik wel iemand die hem een thuis wil geven…


Als die tijd is gekomen, 

Laat ik hem los, 

Laat ik hem gaan, 

Naar waar hij ook verder wil bestaan. 


Die dag zeg ik:

Meneer de Haan

Het was me zeer aangenaam. 



16 augustus 2022

keyboard_arrow_up
menu

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x